Zottegemse spoorwegspionage

Léonce Roels en Désiré Van Den Bossche ’voor den kop geschoten’
Op 2 maart 1916, precies honderd jaar geleden werden Désiré Van Den Bossche en Léonce Roels op de schietbaan van Casteau door de Duitse bezetter geëxecuteerd. Ze kregen de dood met de kogel voor hun aandeel in het Zottegemse spoorwegspionagenetwerk (1).
 
Spoorweg
Als spoorwegkruispunt van drie belangrijke lijnen en slechts 60 km van het IJzerfront verwijderd, was Zottegem ongemeen belangrijk voor de Duitsers.
 
Al meteen na de definitieve bezetting van de Egmontstad, in oktober 1914, werd een brigade Duitse spoorwegwachters gekazerneerd in café "De Witte Poort” op het Stationsplein. tegelijk werd begonnen met de uitbreiding van het station en de spoorweginfrastructuur. Zo werd de bakstenen brug aan de Godveerdegemstraat afgebroken en het aantal sporen eronder verdubbeld. De taluds langs de Groenstraat werden verder afgegraven. De brug onder de spoorweg aan de huidige Laurens Demetsstraat werd verbreed en er werden bijkomende sporen gelegd. In Bevegem werd een bijkomend sporencomplex met bijhorende taluds en goederendepot aangelegd.
 
 
 
 
 
 
 
  
 

 
Verbredingwerken aan de opgebroken spoorwegbrug aan de Godveerdegemstraat.
Links bovenaan houdt een Duitse schildwacht de wacht
 
Het extreme belang dat de Duitsers aan de spoorweg hechtten viel ook aan geallieerde zijde op en door het verzamelen van inlichtingen – het laten bespioneren van de spoorweg – kwamen de geallieerde hoofdkwartieren op de hoogte van de Duitse plannen. Op til zijnde offensieven meende men te kunnen aflezen uit het Duitse spoorwegverkeer.

1 Zie: Luc De Both De Zottegemnaren Roels en Van Den Bossche voor een Duits vuurpeloton in 1916, in: Zottegems Genootschap
voor Geschiedenis en Oudheidkunde. Handelingen, XVII, 2015, p. 245-310
 

Spionage
Een van de vele spionagenetwerken in bezet België was het netwerk "Carlot-Louis”, waarvan de Zottegemse tak van notaris Roels een onderdeel vormde. Die Zottegemse tak zou uiteindelijk slechts vier volle maanden actief zijn.
 
 
 
 
 
 
 
Léonce Roels (1869-1915)     Désiré Van Den Bossche (1892-1916)
 
Eind mei 1915 werd notaris Léonce Roels aangezocht om in de Egmontstad een spoorwegspionagenetwerk op te zetten. Meteen legde Roels de nodige contacten. Hij zette waarnemingsposten op bij de familie Poriau in de Godveerdegemstraat en in café "St.–Eloy” van Honoré Solomé aan de Musselystraat.  De waarnemers moesten alle treinen die voorbij reden gedetailleerd optekenen. Interessant was de richting die de treinen namen of vanuit welke richting zij kwamen. Erwetegem duidde op Manage (richting Frankrijk of het Marne front), terwijl richting traveins op treinverkeer naar het IJzerfront wees. Ook viel enorm veel te leren uit de aard van de treinen: ging het om goederen- of personentreinen ...
 
 
 
 
 
 
 
  
 

Emiel Poriau (1875-1947), Hendrik Poriau (1885-1949?) en Omer Poriau (1888-1940)
 
Désiré Van Den Bossche, telegramdrager en rechterhand van Roels, nam de gevaarlijke taak van koerier tussen Zottegem en Brussel op zich.
 
 
 
 
 
 
 
 
  
Maria Mons-De Smet (1882-1948)
 
Los hiervan had Roels ook een soldatensmokkelroute opgezet. De overburen van de notaris, het echtpaar Petrus Mons en Maria De Smet, hielden naast een beenhouwerij ook een café en logeerhuis open waar de ‘passanten’ tijdelijk onderdak kregen.
 
Netwerk opgerold
Eind mei 1915 werd de Duitse contraspion Eugène Jasienski naar Zottegem gestuurd waar hij zich bij burgemeester Valère Van Wymersch als Frans officier aanmeldde. De burgemeester stuurde hem bij notaris Roels, die zich onder meer bezighield met de opvang van jonge Belgische en Franse soldaten op weg naar Nederland. Leonce Roels nam de ‘officier’ in vertrouwen – hij zou nog in september en oktober terugkeren - en allicht kreeg hij het dossier over de spoorwegspionage te zien. Op vraag van notaris Roels werd Jasienski gelogeerd bij het echtpaar Mons-De Smet.
 
Eind oktober 1915 klapte de val dicht. Notaris Roels werd aangehouden op 27 oktober, net als het echtpaar Mons-De Smet. Later volgenden Emiel, Henri en Omer Poriau, Honoré Solomé en Désiré Van Den Bossche.
 
Ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.
Van 29 februari tot 1 maart 1916 werd in Bergen een monsterproces gehouden. Vijf Zottegemnaren (Roels, Van Den Bossche en de gebroeders Poriau) werden, samen met nog vierendertig anderen, aangeklaagd wegens spionage en hoogverraad.
 
Léonce Roels en Désiré Van Den Bossche werden ter dood veroordeeld. Emiel Poriau kreeg vier maanden cel; zijn twee jongere broers Henri en Omer werden voor de duur van de oorlog als dwangarbeider naar Duitsland weggevoerd.
 
Tijdens een apart proces voor soldatensmokkel kreeg hoofdbeklaagde Maria De Smet tien jaar cel.

Petrus Mons ging voor vijf maanden de gevangenis is en burgemeester Valère Van Wymersch kreeg vier maanden en 4000 fr. boete.
 
In een derde proces werd Honoré Solomé veroordeeld tot tien jaar dwangarbeid.
 
Samen met notaris Roels en zijn jonge kompaan Van Den Bossche kregen nog vijf andere hoofdbeklaagden de kogel op de schietbaan van het legerkamp van Casteau, om precies halfzes Duitse tijd in de ochtend van de tweede maart 1916.
 
De aan stukken geschoten lichamen werden gekist en in een gemeenschappelijk graf te Masnuy-St.-Jean, in de onmiddellijke omgeving, begraven.
 
Hulde
  
De huldeplechtigheid in Zottegem
 
Al op 2 maart 1919 werd een eerste patriottische optocht naar het gemeenschappelijk heldengraf van Masnuy-St.-Jean georganiseerd. Voor Roels en Van Den Bossche vond in Zottegem een grote huldeplechtigheid plaats op zondag 27 juli 1919.
 
Over deze plechtigheid brengen we in een van de volgende nummers verslag uit.