Dodende bommen

Als spoorwegknooppunt kregen Zottegem en de ruime omgeving in de Groote Oorlog af te rekenen met bombardementen.

Het dagboek van Gilbert Poriau vermeldt hoe een bom de woning van mevrouw Brunfaut in de Nieuwstraat vernielde. Als bij wonder werd de vrouw levend van onder het puin gehaald. Vermoedelijk viseerde men de school aan de overkant van de straat. Die hadden de Duitsers immers omgebouwd tot kazerne.

Een bom bestemd voor de spoorlijn Zottegem-Oudenaarde viel op het einde van de Wurmendries en sloeg er een groot gat in de grond.

Het grootste aantal slachtoffers viel er op 30 oktober 1918. Achter de toenmalige villa Michiels, het latere Vredegerecht, aan de Grotenbergestraat maakte een bom om de spoorlijn Zottegem-Brussel te beschadigen omstreeks drie uur in de namiddag dodelijke slachtoffers.

Poriau heeft het in zijn dagboek over twee doden: landbouwer Gustaaf Schotsaert en schrijnwerker Pieter De Vuyst. Of ze ter plekke werden gedood dan wel dezelfde dag thuis aan hun verwondingen overleden, weten we niet. De overlijdensakte vermeldt alvast het thuisadres. Schotsaert woonde in de Grotenbergestraat (dus op Zottegems grondgebied); De Vuyst woonde in de Kerkstraat (grondgebied Grotenberge), vandaag ook Grotenbergestraat.

Het dodentol was echter beduidend hoger. Niet twee maar liefst zes burgers lieten het leven, vijf Zottegemnaren en één inwoner van Grotenberge. Naast de hoger genoemde Gustaaf Schotsaert waren de andere Zottegemse slachtoffers: Barbara Broekaert, 77 jaar, landbouwer Isidoor De Meester, 53 jaar en weduwe Coleta De Pauw, 82 jaar, die allemaal om 15 uur in het "burgerijk hospitaal” stierven. Verder ook nog "poeldenier’ Frans Broekaert, die om 10 uur ’s avonds thuis in de Grotenbergestraat overleed.

Veruit het meest over de tongen ging de tragische dood van de broertjes Galle in Erwetegem.

Op 21 februari 1918 liepen Léon en Amedé Galle op de boomgaard van hun ouderlijk huis in de Ragestraat. Omstreeks 6 uur ’s avonds werden ze gedood door een vliegtuigbom die de spoorlijn Gent-Geraardsbergen wou treffen. Amedé Albert was 9 jaar; zijn broertjes Georges Leon 12 jaar. Ze waren de kinderen van schrijnwerker Josephus en van Sylvie Van Der Heyden.

Op hun doodsprentje worden de gebeurtenissen op rijm gezet, in een dramatische schets:

Wat ronkt zoo vreeselijk door de lucht?
Een vliegtuig dat, in lage vlucht,
Op pooi is weggetrokken.
Het werpt een aantal bommen uit,
Ze vallen met een dof geluid
En smijten ’t al in brokken.
Ons kinders! Kermen uit één mond de moeder en de vader;
De man loopt vlug zijn woning rond … Och vrouw, kom toch niet nader!
De dutskens liggen zielloos hier in ’t gras der kleine gaarde;
Ze zijn niet meer te kennen schier: twee klompen vleesch ter aarde