De ere-muur op de begraafplaats aan de Groenstraat

Een specifieke begraafplaats voor de gesneuvelden en gevallenen van de Groote Oorlog vinden we enkel in Zottegem en Sint-Maria-Oudenhove. Hier spitsen we ons toe op de ere-muur in de Groenstraat.
 
 
 
Vrijwel onmiddellijk na de wapenstilstand, werd men met het probleem van de duizenden gesneuvelden geconfronteerd. Aan de ene kant was het zoeken naar de rustplaats van tal van soldaten; anderzijds kreeg men te maken met ontgravingen en herbegravingen die aan elke controle ontsnapten.
 
De Belgische regering ziet de gesneuvelden het liefst gegroepeerd in de frontstreek, maar laat tevens de mogelijkheid open tot repatriëring naar de woonplaats en er wordt beslist vanaf 1 maart 1921 "al de gevraagde toelatingen tot ontgraving goed te keuren”. Heel wat Zottegemnaren maken van die mogelijkheid gebruik. Tussen 1921 en 1923, met een piekperiode in de tweede helft van 1921 worden er gesneuvelden ontgraven, per trein naar Zottegem gebracht en hier op het kerkhof op het ere-perk bijgezet.
 
De gemeenteraad besliste immers op 18 februari 1921 "tot een eeuwigdurenden grondafstand aan de muur ten noordoosten van het kerkhof moetende dienen tot begraafplaats der in den oorlog gesneuvelde helden wier stoffelijke overblijfsels alhier zullen overgebracht worden”. De gezamenlijke begraafplaats "zal degelijk aangelegd en versierd worden, waardig van de eer die wij aan onze helden verschuldigd zijn”. Léonce Roels en Désiré Vanden Bossche krijgen een
centrale plaats.

Het ereperk was oorspronkelijk bedoeld voor de gesneuvelden en gevallenen van de Eerste Wereldoorlog. De bakstenen ere-muur is symmetrisch opgebouwd. Centraal werd een partij uitgewerkt bekroond door een zandstenen fronton met in- en uitzwenkende top waarin het Belgische Wapen wordt geflankeerd door de in een medaillon gekapte jaartallen "1914” en "1918”. Dit segment bevat vier graven. Links en rechts werden afwisselend drie en twee graven voorzien. In totaal liggen er dertig gesneuvelden en gevallenen begraven.
 
Schematisch overzicht van het ereperk
 
1. Richard De Winter; 2. Albert De Naeyer; 3. Vital Corte; 4. Adhemar De Sutter; 5. Juul Brewaeys; 6. Omer Ketsman; 7. Georges Brunfaut; 8. Gustaaf Van Der Stock; 9. Robert Van De Zande; 10. Arthur Moreels; 11. Gilbert Van Breusegem; 12. Armand Vanderschueren; 13. Karel Cantaert; 14. Leon Bernaeyge; 15. Léonce Roels; 16. Désiré Van Den Bossche; 17. Oscar Cousy; 18. Oscar De Smet; 19. Leon De Rouck; 20. Juul D’Hauwers; 21. Juul De Sutter; 22. Jozef Mangeleer; 23. Karel Ardijns; 24. Aloïs De Zutter; 25. Robert Blauwaert; 26. Gustaaf De Stoepel; 27. Jan Van Doorselaere; 28. René Van Daele; 29. Georges Mangeleer; 30. Oscar Lamarcq.
 


In 1931 wordt beslist "de grafsteden der gesneuvelden met een ijzeren hekken te doen omringen, den achtermuur in simili te doen zetten en de plaats met een Christusbeeld te versieren. Een bepaald ontwerp zal daartoe opgemaakt worden” Vier jaar later besluit de raad "de beschikbare plaats gelegen nevens het grafmonument der Oorlogsslachtoffers 1914-1918 voor te behouden als gezamenlijke begraafplaats voor diegenen overleden na den oorlog”.
 
Het bestaande ere-perk werd aan de rechterkant uitgebreid met een ere-muur voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. De gelige steen steekt fel af tegen de verweerde rode baksteen van de oorspronkelijke compositie.